Kroniek  rond de familie Vanstapel - Vanmarsenille 

   
Levensgeschiedenis van  Alice Vanmarsenille.
  • Alice Vanmarsenille wordt geboren in Sint-Truiden, maar groeide, als enige dochter van het gezin Frans Vanmarsenille-Marie-Louise Vanleeuw op  te Muizen.

  • Dit Haspengouws dorpje met slechts 120 inwoners ligt lieflijk in een golvend landschap met voor de streek zo kenmerkende boomgaarden; het is de kleinste zelfstandige gemeenschap van de streek.

  • Een paar grote boerderijen, een bekende graanmolen, een drietal cafés en een winkel bepalen samen met het eenvoudige, ommuurde zaalkerkje, gewijd aan het H. Kruis (17de-18de eeuw), de ganse kleine samenleving.

  • Sinds 1970 is de gemeente gefusioneerd met Gingelom. Het sociale leven is verdwenen, de molen gesloopt en de cafés gesloten, maar toch zijn er enkele nieuwe huizen bijgekomen, die hoop geven op nieuw leven.


  • Voor haar lagere school moet Alice dan ook naar het naburige Buvingen.

  • Van haar prilste jeugd herinnert Alice zich nog levendig haar grote vrees voor Sinterklaas; hiervan maakt haar vader handig gebruik om haar de verfoeide ajuinsaus te leren eten.

  • De eerste wereldoorlog brengt een pijnlijke scheiding: haar vader, Frans, vertrekt voor 5 jaar naar de oorlog.

  • Aangezien hij reeds tot de oudere soldaten behoort, is hij, als schoenmaker, achter de linies in de buurt van Parijs gelegerd.

  • Een gedenksteen aan de voorgevel van de kerk te Muizen herinnert ons aan zijn bijdrage tot ons aller vrijheid.

  • Als 14- jarige krijgt ze dan een privé opleiding als naaister bij de familie Mox. Céline Mox wordt ook een vriendin voor het leven.

  • Voor jonge meisjes is er in die tijd in de samenleving alleen plaats in dienst van de parochie.

  • Alice kleedt de bruidjes bij de jaarlijkse processie en vernieuwt regelmatig de outfit van O.-L.Vrouw in de kerk.

  • Later natuurlijk volgen ook de wereldlijke geneugten: de toneelopvoeringen in Buvingen, Borlo en Jeuk met daarna de noodzakelijke rendez- vous en ook de jaarlijkse kermisbals, maar altijd in gezelschap van haar nicht-onderwijzeres, Angèle, en gechaperonneerd door hun beider tante, Leonie Vanmarsenille uit Buvingen.

  • Daar ten huize van Angèle Vanmarsenille is het in die tijd heel vaak de zoete inval: daar heeft men een grammofoon en de jonge vrienden worden uitgenodigd of nodigen zichzelf uit voor een avondje pret met dans en zelfs een etentje.Van gezonde koppelpraktijken gesproken!

  • Maar de belangstelling voor een duurzame vorming gaat bij Alice duidelijk nog verder.

  • Samen met 2 andere meisjes sticht ze in 1926 de Boerinnenbond in het naburige Borlo om alzo de emancipatie van de landelijke vrouwen op gang te brengen en te bevorderen.

  • Wanneer KVLV Borlo in 1986 zijn 60-jarig jubileum viert, wordt zij als enige overlevende van de stichtersgroep uitgenodigd en in de bloemetjes gezet.


  • Regelmatig ook bezoekt ze voor enkele weken Luik, waar haar tante, Maria Vanleeuw, een logieshuis uitbaat of in Antwerpen bij de onderwijzersfamilie van haar oom aan vaderszijde, maar nooit vergeet ze haar grootouders, Joseph Vanleeuw-Jossaer, bij wie ze als kind vele vakanties doorbrengt.


  • In 1929 ontmoet ze dan Jef Vanstapel en dan worden het 3 jaren van ernstige vrijage; Jef komt wel altijd laat in de namiddag “omdat eerst de dieren nog moeten gevoederd worden”, maar hij blijf toch altijd lang … tot middernacht en zelfs nog langer, want de carbuurlamp van zijn fiets doet het niet altijd en daaraan moet dan nog eindeloos gesleuteld worden.


  • Hun trouwdag (26 –11-1932) is natuurlijk een hoogtepunt, “ daar wierd gehouden een banket”, maar na de festiviteiten verlaat “de naaister” voorgoed haar geliefde ouders voor een nieuwe wereld als “boerin” op een landbouwbedrijf met 3 mannen. Een ware uitdaging!  


  • Het huis krijgt aan de binnenzijde dadelijk een poets- en opknapbeurt, koken is al altijd haar hobby geweest en in de buitendienst krijgt ze de zuivelafdeling toegewezen: de koeien melken- eerst nog met de hand, later machinaal – en de boterverwerking.

  • Daarnaast staat ze in voor verzorging van de varkens en de biggen. Van elk “veldwerk” is ze vrij.


  • Het duurt nog tot in 1936 eer haar eerste zoon geboren wordt. Daarna volgen nog 2 zonen maar dan houden echtelingen het op gebied van procreatie voor bekeken.


  • Wereldoorlog II is ook voor haar en haar gezin een ware beproeving: de bombardementen, de vele beperkingen, die de Duitsers opleggen en de verborgen en verboden praktijken bij het verhandelen van boter, graan en eieren.

  • Bedelaars aan de deur voor een boterham of de restanten van het middagmaal, smokkelaars, die hun leven riskeren, dievenbendes en de verplichte arbeidsdienst van haar man om met kar en paard de bomgaten te vullen.

  • De gewone Duitse soldaten zijn ook heel hoffelijk; regelmatig komen ze op de boerderij voor boter en eieren en betalen telkens correct “volgens de officiële prijs”.


  • De zondagavonden zijn altijd zeer gezellig: Alice leest dan in gezelschap van  haar zonen en haar schoonzuster en vriendin, Henriëtte, voor uit de boeken van H.Conscience ( De leeuw van Vlaanderen of De loteling ) of van F. Timmermans ( De harp van St.-Franciscus).

  • De avonden worden verder opgevuld met verhalen en ook  wel roddels over familie en buren of met het spinnen van wol.

  • Om deze activiteit te stofferen wordt op de boerderij  speciaal een schaap gehouden.

  • De weekdagen zijn druk, vooral omdat Alice naast het werk op het erf ook nog naait voor de kinderen en voor zichzelf.

  • Haar interesses gaan echter verder dan de poort van de boerderij. Jarenlang is ze lid van het  Schoolcomité van de plaatselijke meisjesschool en - tijdens de schoolstrijd (1954-1958) - een activiste voor School en Gezin.

  • Haar grootste zorg gaat echter dan ook naar de opvoeding en de geschikte schoolkeuze van haar eigen zonen.

  • De bouw van het nieuwe huis is haar initiatief: urenlang zit ze gebogen over de plannen en overlegt ze met architect Beckers over de materiaalkeuze. 

  • Haar hart heeft ze echter verloren aan de opbouw en de bloei van de Boerinnenbond, het latere KVLV.

  • Met haar ervaring uit Borlo wordt ze vrij vlug opgenomen in het bestuur en na 10 jaar is ze gedurende 40 jaar de plaatselijke voorzitster.

  • In den beginne beperken de activiteiten zich tot lessen over het melken van de koeien en fundamentele hygiëne in huis, telkens op een zondagnamiddag na het lof.

  • Later staan er vormende thema-avonden over opvoeding  en godsdienstbeleving op het programma; er worden met “De blauwe Vogel” busreizen georganiseerd en meermaals wordt ze opgeroepen voor de provinciale vormingsdagen te Hasselt.

  • Jaarlijks zijn er natuurlijk de nodige eetfestijnen met het woordje van de proost en vaak met een voordrachtstukje van de voorzitster.


  • Na haar pensionering kan Alice zich nog meer wijden aan haar hobby’s als het verenigingsleven,  muziek beluisteren aan  de radio, naaien en verstellen voor kinderen en kleinkinderen, koken en taart bakken voor de bezoeken van vrienden en de familie.

  • Zoals haar eerste 30 levenslentes in Muizen zijn verlopen, zo leidt ze ook haar herfstdagen in rust en peis.

  • Voor haar inzet wordt ze door de Kerk vereerd met de bisschoppelijke medaille “ Oorzaak onzer Blijdschap”, van het ministerie krijgt ze het Landbouwereteken.

  • Stilaan bedreigen ook ouderdomkwaaltjes haar geluk, maar ze wil niet toegeven.

  • Zelfs na de dood van man blijft ze moedig alleen wonen, alhoewel ze steeds meer op de bijstand van haar kinderen beroep doet.

  • Ze heeft  haar schoonvader, Rikus,(1942) haar schoonbroer, Bert, (1960) haar moeder, Loiuse Vanleeuw(1969) en haar man, Jef, (1989) op het einde van hun levensdagen en jaren begeleid, nu wordt ze zelf – uitgeput en vaak verward- gedurende één jaar liefdevol opgenomen bij haar jongste zoon en schoondochter… tot aan haar stille dood op 11 februari 1992.

  • Een  karaktervolle en sociaalvoelende vrouw! Dood is men alleen als het nageslacht of de vrienden niet meer over je spreken.

  • Wat zijt gij gelukkig, Dames en Heren, dat ik O.-L.-Heer niet ben en dat de wereld niet eens naar mijn zin kan draaien. Want dan zou het anders gaan: gij, Heren, zoudt kunnen knechten wezen, gij, Dames, zoudt meid kunnen zijn.. Maar het is toch nog nie zeker. Ge ziet er mij nog allemaal brave mensen uit en ik zou u misschien laten wat ge zijt. Maar het staat vast, dat ik, Griet Ontevreden, gene meid meer zou zijn en Griet Tevreden zou heten. 
     

  •   Zie, O.-L.-Heer kan zijn zo goed Hij wil, maar met mij handelt hij toch niet wel: Hij zou zoveel verschil tussen de mensen niet mogen maken; wij zijn toch alle Zijne kinderen. Waarom moet Madame altijd Dame en ik altijd meid zijn en blijven?  Waarom is zij rijk en ik arm? Waarom moet ik doen wat zij beveelt en niet zij? Ieder zijn beurt is niet te dikwijls, dunkt mij, en zo ik het wensen liet,   ieder eens 28 jaren meid, gelijk ik, en dan 28 jaren Madame. Maar het zijn altijd dezelfden, die het pak moeten dragen! Hoort eens, Dames en Heren, wat ik u te reclameren heb, en zeg me dan of ik gelijk heb of niet.
     

  •   Mijn moeder was een arme sloer, die met mosselen te leuren haar koske moest verdienen; dan kunt ge wel begrijpen dat ik in mijne jeugd niet veel vet van mijnen baard heb moeten strijken.
    Van ’s morgens tot ’s avonds moest ik bidden:” geef ons heden ons dagelijks brood” en ik voegde er stillekens bij:” en wat vlees en boter ook”. Maar al verloren moeite: met droog brood, pap en patatten ben ik zo groot geworden als ge me nu hier ziet.

  • Ik stak nauwelijks in de rokken of ik moest naar school om te dansen gelijk de meesteres schuifelde. Het was:”Griet, zie voor u, Griet, leer, Griet, schrijf”. Griet moest altijd de goesting doen van hare meesteres en trachtte ik eens mijne zin te doen, dan kon ik op school blijven logeren of ik kreeg een oorveeg voor mijne moeite.

  • Later, als ik mijn eerste communie had gedaan, spande moeder mij voor den mosselenbak en moest ik langs de straten roepen:” Verse mosselen, verse mosselen”, ofschoon ze soms reeds 8 dagen oud waren.

  • Later kwam ik in dienst van mijnheer Van Wijnhuizen, waar ik tegenwoordig nog ben en waar ik meer water dan wijn te drinken krijg.

  • Vanaf Madame haar ogen open doet, tot ze ’s avonds in haar bed ligt te roenken, moet ik daar zijn om haar te dienen; ze is maar half wakker, als ze al begint:” Griet, zet het venster open, Griet, haal mijn ontbijt, Griet, zijn mijnheer zijn laarzen geblonken, is zijn jas geborsteld, Griet, waar is mijnheer zijn sigarenkoker? Griet, doe dit, Griet, doe dat… Griet moet altijd de goesting doen van hare meesteres en dat spelletje begint me te verdrieten.

  • Klaag ik soms bij den enen of den anderen, dan krijg ik ten antwoord:” Ge moet geduld hebben”. Proficiat met uw geduld, ik heb nu al 28 jaar geduld ingeoefend en nu wordt de last me zo zwaar, dat ik eronder bezwijk.

  • Zie, gisteren kwam ik mijnheer Pastoor tegen en die sprak me aan:” Hemel, Griet”, zei hij zo, “hoe gaat het”? “Ja ,zoal stillekens, mijnheer Pastoor”, zei ik zo, “ ge weet wat een arme dienstmeid is: die altijd veroordeeld om anderen te dienen en nooit gediend te worden”.

  • “ Ge moet geduldig zijn in uw lot”, zei mijnheer Pastoor zo, “ als ge het hier op aarde wat moeilijk hebt, achteraf hebt ge het zoveel beter. Wie het hier lastig heeft, zal daar de beste zijn”.

  •  “ Ja, ja, mijnheer Pastoor”, zei ik zo, “ het zal daarginder precies gaan, gelijk hier en daarmee…ik zou het liever goed hebben dan goed vinden.

  • Wat zou O.-L.-Heer toch gaan beginnen met al die lieden, die nooit gewerkt hebben, die nooit kunnen werken, die nooit zullen werken. Weet ge hoe het zal gaan, mijnheer Pastoor?

  • Als ik aan de poorten van den hemel kom, zal Sinte Pieter zeggen: “Hee, Griet, zijt gij daar! Ik ben blij u te zien, O.-L.-Heer heeft juist zo’n meid van doen gelijk gij. Ik zal u eens gauw bij hem brengen. En, als ik dan bij O.-L.-Heer ben…

  • Die zal zeggen:” Zie, Griet, ik heb hier hele hopen lieden, waarmee ik niets kan aanvangen: op aarde hebben ze niet gewerkt, nu zijn ze veel te oud om het nog te leren, maar gij, die van alles verstand hebt, gij moet een handje bijsteken en dan zal het commando beginnen:

  • ” Griet, doe het stof eens van de vleugelkes der engelen, blink de botten van Sint-Franciscus Xaverius, draai de kraan eens open van het regenvat, want de aarde wordt zo droog, Griet, zijn er nog hagelbollen in de hagelzak, maak wat donder en bliksem klaar voor deze namiddag, vul de manden van Sint-Niklaas…” “Zo zal het met mij gaan, mijnheer Pastoor,” zei ik zo.

  • Mijnheer Pastoor wist niet wat antwoorden en ging lachend weg. En daarom ga ik nu een petitie naar de hemel sturen om  aan O.-L.-Heer te vragen mij eens 28 jaren Madame te laten spelen en ik verzoek u vriendelijk, Dames en Heren, die petitie te willen ondersteunen en dan beloof ik u, dat ik nooit gene hagelstenen naar uwe hoofden zal gooien.

  • Ik zou nog meer zeggen, maar Madame gaat op haat poot spelen, als de kamer niet gekuist is


Vlijtig Liesje

Liesje, het blondgelokte meisje
uit een bloeiende Vlaamse streek,
trad des Pasters woning binnen
langs het kronkelpad der beek.

“ Waarde Herder, wil mij zeggen,
hoeveel trouwen kosten moet,
alles wel daarbij berekend,
zeg het mij eens kort en goed.”

Zie, een glimlach plooit de lippen
van de Zeereerwaarde Heer:
“ Zeven stuivers kost het trouwen,
aardig meisje, ja niets meer.”

Bij het horen van die woorden
glimt haar oog, vol stille vreugd:
“ Wel, nu zal ik morgen komen,”
zegt de schone, hoogst verheugd.

En eer de zonne aan de oosterkimme
hare rijkdom had ontplooid,
was het trouwziek, Vlaamse meisje
reeds in bruidsgewaad getooid.

En zij ijlt met vlugge schreden
naar het kerkje in het dal,
waar op vastgestelde stonde
haar de pastor wachten zal.

In het koor staat hij reeds vaardig,
Liesje ook bevindt zich daar:
“ Om te trouwen, waarde herder,
vindt ge mij hier kant en klaar.”

“Wel, zeer wel, mijn lieve Schone,
waar is op dit plechtig uur uw uitverkoren heen?”
“Hoe mijn bruidegom? Maar Eerwaarde, het was zekerheid bij mij,
dat ik voor die zeven stuivers ook een bruidegom had erbij.”