Terug

Levensgeschiedenis Alice Vanmarsenille

2003

GRIET ONTEVREDEN.

  Wat zijt gij gelukkig, Dames en Heren, dat ik O.-L.-Heer niet ben en dat de wereld niet eens naar mijn zin kan draaien. Want dan zou het anders gaan: gij, Heren, zoudt kunnen knechten wezen, gij, Dames, zoudt meid kunnen zijn.. Maar het is toch nog nie zeker. Ge ziet er mij nog allemaal brave mensen uit en ik zou u misschien laten wat ge zijt. Maar het staat vast, dat ik, Griet Ontevreden, gene meid meer zou zijn en Griet Tevreden zou heten. 

  Zie, O.-L.-Heer kan zijn zo goed Hij wil, maar met mij handelt hij toch niet wel: Hij zou zoveel verschil tussen de mensen niet mogen maken; wij zijn toch alle Zijne kinderen. Waarom moet Madame altijd Dame en ik altijd meid zijn en blijven?  Waarom is zij rijk en ik arm? Waarom moet ik doen wat zij beveelt en niet zij? Ieder zijn beurt is niet te dikwijls, dunkt mij, en zo ik het wensen liet,   ieder eens 28 jaren meid, gelijk ik, en dan 28 jaren Madame. Maar het zijn altijd dezelfden, die het pak moeten dragen! Hoort eens, Dames en Heren, wat ik u te reclameren heb, en zeg me dan of ik gelijk heb of niet.

  Mijn moeder was een arme sloer, die met mosselen te leuren haar koske moest verdienen; dan kunt ge wel begrijpen dat ik in mijne jeugd niet veel vet van mijnen baard heb moeten strijken. Van ’s morgens tot ’s avonds moest ik bidden:” geef ons heden ons dagelijks brood” en ik voegde er stillekens bij:” en wat vlees en boter ook”. Maar al verloren moeite: met droog brood, pap en patatten ben ik zo groot geworden als ge me nu hier ziet. Ik stak nauwelijks in de rokken of ik moest naar school om te dansen gelijk de meesteres schuifelde. Het was:”Griet, zie voor u, Griet, leer, Griet, schrijf”. Griet moest altijd de goesting doen van hare meesteres en trachtte ik eens mijne zin te doen, dan kon ik op school blijven logeren of ik kreeg een oorveeg voor mijne moeite. Later, als ik mijn eerste communie had gedaan, spande moeder mij voor den mosselenbak en moest ik langs de straten roepen:” Verse mosselen, verse mosselen”, ofschoon ze soms reeds 8 dagen oud waren. Later kwam ik in dienst van mijnheer Van Wijnhuizen, waar ik tegenwoordig nog ben en waar ik meer water dan wijn te drinken krijg. Vanaf Madame haar ogen open doet, tot ze ’s avonds in haar bed ligt te roenken, moet ik daar zijn om haar te dienen; ze is maar half wakker, als ze al begint:” Griet, zet het venster open, Griet, haal mijn ontbijt, Griet, zijn mijnheer zijn laarzen geblonken, is zijn jas geborsteld, Griet, waar is mijnheer zijn sigarenkoker? Griet, doe dit, Griet, doe dat… Griet moet altijd de goesting doen van hare meesteres en dat spelletje begint me te verdrieten. Klaag ik soms bij den enen of den anderen, dan krijg ik ten antwoord:” Ge moet geduld hebben”. Proficiat met uw geduld, ik heb nu al 28 jaar geduld ingeoefend en nu wordt de last me zo zwaar, dat ik eronder bezwijk. Zie, gisteren kwam ik mijnheer Pastoor tegen en die sprak me aan:” Hemel, Griet”, zei hij zo, “hoe gaat het”? “Ja ,zoal stillekens, mijnheer Pastoor”, zei ik zo, “ ge weet wat een arme dienstmeid is: die altijd veroordeeld om anderen te dienen en nooit gediend te worden”. “ Ge moet geduldig zijn in uw lot”, zei mijnheer Pastoor zo, “ als ge het hier op aarde wat moeilijk hebt, achteraf hebt ge het zoveel beter. Wie het hier lastig heeft, zal daar de beste zijn”. “ Ja, ja, mijnheer Pastoor”, zei ik zo, “ het zal daarginder precies gaan, gelijk hier en daarmee…ik zou het liever goed hebben dan goed vinden. Wat zou O.-L.-Heer toch gaan beginnen met al die lieden, die nooit gewerkt hebben, die nooit kunnen werken, die nooit zullen werken. Weet ge hoe het zal gaan, mijnheer Pastoor? Als ik aan de poorten van den hemel kom, zal Sinte Pieter zeggen: “Hee, Griet, zijt gij daar! Ik ben blij u te zien, O.-L.-Heer heeft juist zo’n meid van doen gelijk gij. Ik zal u eens gauw bij hem brengen. En, als ik dan bij O.-L.-Heer ben…Die zal zeggen:” Zie, Griet, ik heb hier hele hopen lieden, waarmee ik niets kan aanvangen: op aarde hebben ze niet gewerkt, nu zijn ze veel te oud om het nog te leren, maar gij, die van alles verstand hebt, gij moet een handje bijsteken en dan zal het commando beginnen:” Griet, doe het stof eens van de vleugelkes der engelen, blink de botten van Sint-Franciscus Xaverius, draai de kraan eens open van het regenvat, want de aarde wordt zo droog, Griet, zijn er nog hagelbollen in de hagelzak, maak wat donder en bliksem klaar voor deze namiddag, vul de manden van Sint-Niklaas…” “Zo zal het met mij gaan, mijnheer Pastoor,” zei ik zo. Mijnheer Pastoor wist niet wat antwoorden en ging lachend weg. En daarom ga ik nu een petitie naar de hemel sturen om  aan O.-L.-Heer te vragen mij eens 28 jaren Madame te laten spelen en ik verzoek u vriendelijk, Dames en Heren, die petitie te willen ondersteunen en dan beloof ik u, dat ik nooit gene hagelstenen naar uwe hoofden zal gooien. Ik zou nog meer zeggen, maar Madame gaat op haat poot spelen, als de kamer niet gekuist is.